Cornelis Pieter Boodt

Persoonsgegevens

VoornaamKees
InitialenC.P.
AchternaamBoodt
GeslachtMan
Leeftijd39
BeroepPredikant/Lid van verzet
WoonplaatsDelft
Geboren25 mei 1903 in Rotterdam
Overleden22 juni 1945 in Hildesheim

Reden arrestatieAnti-Duitse preken
Gearresteerd in's Gravenhage
Gearresteerd op7 januari 1943

Oranjehotel

Datum in Oranjehotel14 januari 1943
Oranjehotel verlaten23 maart 1943
Cel(len)423
VervolgVught
Sachsenhausen
Bergen-Belsen

 
Bron(nen):
Weber - Gedenkboek van het Oranjehotel

Ingezonden verhalen over Cornelis Pieter Boodt

Ingestuurd door Oranjehotel op 25 augustus 2026

C.P. Boodt

Cornelis Pieter (‘Kees’) Boodt werd op 25 mei 1903 geboren in Rotterdam als zoon van Pieter Jan Boodt, kruidenier van beroep, en Johanna Adriana Hendrika Sauer. Kees Boodt was de zesde in een gezin dat acht kinderen telde. Hij bezocht het Marnix Gymnasium in de Maasstad en werd op 19 september 1923 ingeschreven als student theologie aan de Vrije Universiteit. In 1924 behaalde hij zijn propedeuse en op 2 maart 1928 mocht hij zich kandidaat theologie noemen.
Een half jaar later, op 7 oktober 1928, werd hij bevestigd als predikant in de gereformeerde kerk te Molenaarsgraaf-Brandwijk. Boodt was intussen getrouwd met Richtje Grietje Mulder, met wie hij zeven kinderen zou krijgen. Hij stond bijna acht jaar in de kleine gemeente en werd toen beroepen in Leerdam, waar hij in maart 1936 zijn intrede deed.

Boodt was een exponent van de Vrije Universiteit, waar hij door medestudenten ook wel ‘Corrie’ werd genoemd. Hij koesterde bewondering voor Abraham Kuyper en was daarnaast onder de indruk van de calvinistische wijsbegeerte, zoals die werd uitgewerkt door de professoren H. Dooyeweerd en D.H.Th. Vollenhoven. In 1939 stelde hij de bundel De reformatie van het calvinistisch denken samen. Daarin waren artikelen opgenomen van onder meer A. Zijlstra (‘Calvinisme en politiek’) en A. Stapelkamp (‘Het calvinisme en de arbeidersbeweging’). Boodt zelf schreef geen bijdrage maar voorzag de bundel van een inleiding waarin hij schreef: ‘Evenals in Kuypers werken, overal waar hij dicht bij de Schrift gebleven is, de waarheid zoo maar op je afkomt, evenzoo is het in de werken van de heeren Vollenhoven en Dooyeweerd.’ Hij sprak de hoop uit dat het boek ‘de zakelijke toenadering’ zou versterken, ‘opdat wij in deze bewogen tijden tezamen mogen strijden om de Gereformeerde waarheid te verdiepen’.
Boodt nam zelf stelling in die ‘bewogen tijden’ door te preken tegen het nationaalsocialisme. Al toen hij in Leerdam stond (vanaf 1936) waarschuwde hij zijn gemeenteleden dat het nationaalsocialisme ‘de geestelijke beginselen van het christendom’ trachtte te vernietigen. Op 18 maart 1942 trad Boodt aan als predikant in Delft en vestigde het gezin zich aan de Koornmarkt aldaar. Tussen mei en december 1942 preekte hij onophoudelijk en zonder schroom tegen de bezetter en tegen de oorlog, waarbij hij de waarschuwing uitsprak dat Hitler en Roosevelt (!) zich na hun dood dienden te verantwoorden voor de rechterstoel
van God. Na in zijn oudejaarspreek op 31 december 1942 opnieuw de staf te heb ben gebroken over de bezetter werd hij gearresteerd en vastgezet in Scheveningen. Daar onderging hij een drieënhalf uur durend verhoor waarin hij vol vuur het koningschap van Jezus predikte en ook zijn verhoorders voorhield dat zij aan dit koningschap waren onderworpen.

Begin 1943 werd hij overgebracht naar kamp Vught. Boodt genoot relatieve vrijheid in Vught en kreeg de mogelijkheid voedselpakketten en brieven van het thuisfront te ontvangen. Dat thuisfront bestond uit zijn vrouw Richtje Mulder die hem steunde waar het kon. Ze loodste daarnaast ook nog haar kinderen door de moeilijke tijd. En last but not least trachtte ze zijn lege plaats in de gemeente zo goed mogelijk te ondervangen. ‘In de gemeente gaat ook alles goed’, schreef ze hem op 13 april 1943. ‘Zondag hebben we Avondmaal gevierd. Toen heb ik je heel erg gemist. Ik had dat nog nooit alleen gevierd.’ Boodt meldde enkele dagen later: ‘Moge God jou en de kinderen geven datgene wat jullie naar Zijn wijsheid nodig hebben. Ik ben nog gezond en geestelijk voel ik mij gesterkt.’
Over zijn gezondheid sprak Boodt met enige regelmaat in de brieven aan zijn vrouw. Eind juni 1943 schreef hij in het kamp ‘geen dag hoofdpijn’ meer te hebben gehad en zeker tien pond te zijn aangekomen. ‘Ik zie er veel beter uit dan thuis. Ik voel me ook veel gezonder en frisser. Je moet maar denken, nu heeft hij de vacantie die hij al dien tijd al nodig had.’
Maar van vakantie was geen sprake. Boodt ontwaarde een behoefte aan geestelijke voeding in het kamp en begon in juni 1943 een serie hagepreken. Na de oorlog zou een van zijn medegevangenen getuigen: ‘Twee of drie elke zondagmiddag, verscholen tussen de bosjes, die groeiden tussen de barakken. Eerst met 10-15 man, maar na een paar weken zaten we al met 50-60 man.’ Die bijeenkomsten groeiden uit tot heuse kerkdiensten in een lege barak die was omgevormd tot een provisorisch kerkgebouw. Daar kwamen gereformeerden, hervormden, lutheranen en rooms-katholieken samen onder zijn gehoor. Op eerste kerstdag 1943 sprak Boodt tot (inmiddels) honderden mensen.


Enkele maanden na de oorlog werd in De Rotterdammer een kampgenoot van Boodt aangehaald die getuigde dat Boodt ‘de geest van zelfzucht en materialisme’ wilde bestrijden.

De gevangenen kwamen in groepen van hooguit twintig mensen bijeen om de kampbewaking niet te irriteren.
Dat gebeurde desondanks. De kampleiding constateerde ‘een gebrek aan discipline’ bij de gevangenen en strafte hen met een ‘Postsperre’: post werd achtergehouden en lekkernijen, door het thuisfront opgestuurd, werden door de SS in beslag genomen. Boodt, werkzaam op de Poststelle, verzon een list die hem duur kwam te staan: hij liet een aantal pakketten meegeven naar de werkplaatsen van Philips, waar de gestrafte gevangenen hun pakket konden ophalen. De ingenieuze list van Boodt werd echter verraden en Boodt verloor niet alleen zijn baantje bij de Poststelle maar werd ook gestraft met 25 stokslagen.

Na de oorlog zou een medegevangene van Vught in Trouw beschrijven hoe Boodt na afloopoogde: ‘Nog zie ik hem uit de “Commandantur” komen, nadat hij 25 stokslagen gekregen had. Het hoofd fier in de nek. Als overwinnaar liep hij daar! Toch moet hem het loopen bijna onmogelijk zijn geweest, want dagen later voelde hij de pijn. Op de getroffen plaats was zijn lichaam finaal zwart van de bloeduitstortingen.’

Het brak het vaste geloofsvertrouwen van de predikant niet. Op een vraag van zijn vrouw over de absoluutheid van Gods geboden, schreef Boodt haar op 10 oktober 1943: ‘Natuurlijk zijn Gods geboden absoluut. En Jezus zegt: dat er geen tittel of jota van de wet vallen kan. Vergelijk ook Zondag 44 van de Heidelbergse Catechismus maar. Wie de geboden relatief stelt verkleint het offer van nJezus Christus.’

In september 1944 kwam een einde aan het verblijf van Boodt in Vught. Hij werd overgeplaatst naar Sachsenhausen en ging vandaar naar Bergen Belsen.
Daar kreeg hij tyfus. Toch schreef hij op 23 april 1945 dat hij bevrijd was en eindelijk naar huis zou komen. Zijn vrouw wachtte echter tevergeefs op hem.
Na de bevrijding van het kamp door de Engelsen was hij naar een sanatorium in Hildesheim (gelegen in Nedersaksen, vlak bij Hannover) overgebracht. Het Friesch Dagblad berichtte eind juni dat Boodt een van de weinige gevangen predikanten was die de oorlog had overleefd, nog niet in kennis gesteld van het feit dat de predikant op 22 juni 1945, anderhalve maand na het einde van de oorlog, aan pleuritis en algehele uitputting in Hildesheim gestorven was. Weduwe Richtje Boodt-Mulder plaatste op 2 juli 1945 een overlijdensadvertentie ter kennisgeving met de volgende Bijbelwoorden: ‘Hij heeft den goeden strijd gestreden, den loop geëindigd, het geloof behouden. Voorts is hem weggelegd de kroon der rechtvaardigheid.’ Trouw schreef: ‘Het sterven van deze geharnasten strijder tegen het heidensche nazidom doet pijn.’
Na de oorlog werd het stoffelijk overschot van Boodt overgebracht naar de begraafplaats Jaffa in Delft. Ex-kampgenoten brachten een bedrag bijeen voor een grafsteen die de predikant uitbeeldde zoals hij in Vught was geweest: als herder en leraar die zijn kampgenoten onderwees in de Bijbel. De onthulling vond plaats op 3 juni 1952, waarna een ‘reünie’ van ex-gevangenen werd gehouden in een Delfts restaurant. Mevrouw Boodt, zo meldde de circulaire aan de vooravond van de reünie, zou met hen spreken over haar overleden man. Richtje Boodt-Mulder zou haar man ruim een halve eeuw overleven. Zij stierf in 1998.

Bronnen:
J. Kevelam, ‘Ds. C.P. Boodt 25 mei 1903-22 juni 1945’, in: Th. Delleman (red.),
Opdat wij niet vergeten. De bijdrage van de Gereformeerde Kerken, van haar voor-
gangers en leden, in het verzet tegen het nationaal-socialisme en de Duitse tyrannie
(Kampen 1949) 239-243.
Briefwisseling C.P. Boodt, Archief Nationaal Monument Kamp Vught.
Marieke Meeuwenoord, Mensen, macht en mentaliteiten achter prikkeldraad/ Een
historisch-sociologische studie van concentratiekamp Vught (1943-1944) (Amster-
dam 2001).

Verhaal insturen

U dient ingelogd te zijn om een verhaal in te sturen.

Account / aanmelden

Foto insturen

U dient ingelogd te zijn om een foto in te sturen.

Account / aanmelden

Wijzigingen doorgeven

U dient ingelogd te zijn om een wijziging/opmerking te versturen.

Account / aanmelden

Een andere gevangene zoeken